Wie ik was

Ik was een levensgenieter. Ik hield van lekker eten, reed in een Range Rover. Ik woonde in een grote loft in Rotterdam Noord met een vrijstaand bad, een fijne keuken en een dakterras.

Ik was directeur-grootaandeelhouder van een grafisch ontwerpbureau met vijf medewerkers. Als ik geen zin had om te werken bleef ik thuis en toch kon ik iedere maand een leuk salaris aan mezelf over (laten) maken. Niet exorbitant veel geld, maar meer dan genoeg. Zo bescheiden was ik wel.

Mijn medewerkers hadden het goed. Voor mij hoefden ze zich niet uit de naad te werken, als het werk gedaan was, was ik tevreden. Ik was een ontspannen werkgever en daar was ik trots op.

Als ik thuiskwam had D voor me gekookt, stond de televisie aan en lagen de katten op de bank te wachten tot ik bij ze kwam liggen. Dan keken we naar De Wereld Draait Door, lachten we de gasten uit en klaagden we dat er verder niets op televisie was, tot het tijd was om naar bed te gaan.

Ik was een vrijdenker. Ik hield er van om dingen van de andere kant te bekijken. Als iemand een geladen uitspraak deed, nam ik graag de rol van advocaat van de duivel aan. Dan lukte het me vrijwel altijd de geponeerde stelling met argumenten te ontkrachten. “Laat die kleindenkers maar even zweten,” dacht ik dan.

Ondertussen zag ik wel dat D bijna nooit alleen buiten kwam. Ik kon voor haar zorgen, maar uiteindelijk zou ze dat toch zélf moeten oplossen.

Dat de winst van het bedrijf geleidelijk daalde, kwam voornamelijk door externe factoren, dat zou allemaal wel loslopen.

Ik had het helemaal gemaakt. Ik hoefde niets en moest niets. Als het bedrijf zo bleef draaien, kon ik ruim voor mijn pensioen de boel verkopen, een dikke auto kopen en wat bijverdienen met het adviseren van jonge ondernemers die net zo succesvol wilden worden als ik.