D.4

Ik parkeerde in M’s straat en belde aan bij drie-hoog-achter. De vloerbedekking in het trappenhuis bestond uit versleten stukken die levensgevaarlijk los op elkaar lagen.

Het appartement was amper 30 vierkante meter. De keuken was net groot genoeg om elkaar te kunnen passeren. Er stond een kast middenin de kamer met een onhandig grote tafel er aan vast en de bank stond half voor de doorgang naar het bed. De deuren van de kledingkast tegenover het bed konden net open zonder het bed te raken.

De rondleiding was niet meer dan een pirouette.

Ik zag hoe gelukkig M met haar huisje was. Ik benijdde haar. Het was een kabouterhuisje, maar het was háár kabouterhuisje. Het was met liefde ingericht en dat kon ik voelen.

Ik besefte hoe bevrijdend het moest zijn om zó trots te zijn op zo’n klein huisje.

Een gedachte over “D.4”

Reacties zijn gesloten.